
Steeds meer beleggers zweren bij goedkope indexfondsen. Maar dat betekent niet dat actief beheerde fondsen geen toekomst meer hebben. Hoe moet u kiezen en wat kunnen we leren van bekroonde fondsen?
Donderdag reikten De Tijd & L’Echo voor het 30ste opeenvolgende jaar awards uit aan de best presterende beleggingsfondsen op de Belgische markt. Ze slaagden er de voorbije jaren doorgaans in om beter te presteren dan de referentie-index. Het aantal fondsen dat het beter doet dan de index blijft globaal wel in de minderheid, en prestaties uit het verleden bieden geen garantie voor de toekomst. Toch bieden de winnaars enkele lessen die u kunnen helpen bij het selecteren van een actief fonds.
Tweejaarlijkse onderzoeksrapporten van S&P en Morningstar tonen aan dat het in sommige categorieën makkelijker is de markt te kloppen dan in andere. Het rapport van Morningstar toont dat 11,4 procent van de actief beheerde aandelenfondsen het de voorbije tien jaar beter deed dan zijn markt. Bij de actieve obligatiefondsen lag dat percentage over dezelfde periode op 31,5 procent.
Ook binnen die categorieën lopen de verschillen op. Bij de fondsen die uitsluitend beleggen in Amerikaanse large caps, aandelen van bedrijven met een zeer grote beurswaarde, deed geen enkel fonds het beter dan de index over een periode van tien jaar. Bij de Chinese aandelenfondsen daarentegen presteerde bijna de helft beter. In de eerste categorie bent u dus wellicht beter af met een ETF, een passief beheerd beleggingsfonds dat de prestaties van een index nabootst en dat op de beurs verhandeld wordt. Maar in de tweede categorie kunt u voordeel doen door voor een actief beheerd fonds te kiezen.
Een algemene regel valt niet af te leiden uit de slaagpercentages, maar doorgaans scoort actief beheer beter in minder efficiënte markten, waar minder analisten de aandelen opvolgen. Ook in zeer geconcentreerde markten, waar de indexzwaargewichten het minder goed doen, scoort actief beheer beter.
De groeimarkten zijn een goed voorbeeld van vaak minder efficiënte markten. De Amerikaanse obligatiespecialist Pimco won dit jaar een Tijd Award in de categorie groeimarktobligaties door vooral inefficiënties uit te buiten in minder gevolgde segmenten van de groeimarkten.
‘Er zijn vandaag in de categorie groeimarktobligaties al meer dan 80 landen waarin kan worden belegd. Dat is ruim een verdubbeling in enkele decennia', zegt Pimco. 'Bovendien is het aantal investeerbare obligaties in dezelfde periode vertwintigvoudigd. Het aanbod is dus enorm. Dankzij ons grote team kunnen we veel meer kleinere posities innemen. Kleinere teams zitten met de beperking dat ze moeten focussen op de landen die ze beter kennen.’
Ongeacht in welke categorie u wilt beleggen, vermijd knuffelaars. Dat zijn fondsen die nauwelijks van hun referentie-index afwijken. Die fondsen zullen ten opzichte van hun passieve tegenhangers dan wel vergelijkbare brutorendementen bieden, maar na kosten bent u beter af met de goedkopere trackers. ETF’s zijn hier dan altijd de beste keuze.
Indexknuffelaars kunt u herkennen op verschillende manieren. Van heel wat fondsen vindt u de ‘active share’ op de productfiche. Dat is een percentage dat aangeeft in welke mate het fonds van de index afwijkt. Hoe hoger het percentage, hoe actiever het fonds. Lazard Emerging Markets Equity, winnaar van de award in de categorie groeimarktaandelen, heeft bijvoorbeeld een active share van 81 procent. Dat betekent dat het fonds slechts 19 procent overlapping heeft met de index.
Staat de active share niet op de fiche, dan kunt u ook de grootste tien posities van het fonds vergelijken met die van de index. Zijn er weinig verschillen, dan hebt u wellicht te maken met zo’n knuffelaar.
Nog opvallend is dat echt actieve beheerders vaak uitgesproken posities durven in te nemen (conviction), waarbij ze slechts in een beperkt aantal posities beleggen. Die krijgen dan een relatief groot gewicht, waardoor de grootste tien posities al snel meer dan 30 procent van het fonds inpalmen. Van de vijf aandelenfondsen die een award wonnen, belegden er drie in slechts 50 à 60 aandelen.
Afwijken van de index hoeft trouwens niet per definitie met een geconcentreerde portefeuille. Ook zeer gespreide portefeuilles kunnen sterk van de index afwijken. Dat zien we vaker bij vastrentende fondsen. Rothschild & Co Asset Management, dat winnaar werd in de categorie bedrijfsobligaties in euro, heeft maar liefst 313 posities in zijn winnende fonds.
Een belangrijk criterium bij de keuze tussen een fonds en een ETF zijn de kosten. Hoe meer kosten actieve fondsen aanrekenen, hoe hoger hun rendement moet zijn om na die kosten in de buurt te komen van het rendement van de tracker. Het is dus uitkijken met fondsen waarvan de jaarlijks terugkerende kosten fors oplopen.
Al zijn er uitzonderingen die de regel bevestigen. Indépendance Europe Small, een fonds dat belegt in Europese smallcaps en dat beheerd wordt door het Franse Indépendance AM, rekent 2,11 procent jaarlijkse kosten aan. Maar de prestatie van het fonds, na die kosten, is wel stevig. Op 5 jaar boekte het een gemiddeld rendement van 18,5 procent per jaar, terwijl de referentie-index over dezelfde periode een return van 5,3 procent per jaar haalde. De kosten moet u daarom bekijken in verhouding tot de prestatie die de fondsen voorleggen. Jaarlijks terugkerende kosten zijn trouwens automatisch opgenomen in de inventariswaarden van de fondsen, en dus in de rendementen die ze afficheren.
Het rendement is één zaak, het risico dat fondsbeheerders nemen om dat rendement te halen is een andere. Een goede manier om naar dat risico te kijken, is hoe het fonds presteert in slechte beursjaren. Het is ook een criterium voor de toekenning van de awards. Wie zelf dat onderzoek wil doen, kan de oefening vereenvoudigen door te kijken naar de prestatie van het fonds in een crisisjaar. Doet het in zo’n jaar beduidend slechter dan de referentie-index, dan betekent het doorgaans dat u met een fonds te maken hebt dat meer risico neemt, of een risicovollere stijl hanteert.
Pimco Income Fund, een wereldwijd gespreid obligatiefonds, schenkt bijvoorbeeld veel aandacht aan risicocontrole. In 2022 had het zich zeer goed ingedekt tegen de forse rentestijging die zich toen onder meer in de Verenigde Staten voltrok. Terwijl de referentie-index dat jaar 13 procent verloor, kon het fonds de schade tot 7,5 procent beperken.
Ook de volatiliteit, die vaak opgenomen is in de fondsfiches, is een indicatie voor het risico dat het fonds neemt. Hoe hoger de volatiliteit en hoe meer die afwijkt van die van de referentie-index, hoe groter de koersschommelingen en dus hoe meer risico.
Kies bij voorkeur voor beheerders met een gedisciplineerd beleggingsproces, waardoor emoties uitgeschakeld worden, ongeacht wat er gebeurt op de beurzen. Als belegger is het niet evident om op basis van de beleggingspolitiek te weten in hoeverre een beheerder over die eigenschap beschikt, maar soms ligt het voor de hand. In de categorie Europese aandelen werd een kwantitatief fonds van BNP Paribas Asset Management de winnaar. Kwantitatieve fondsen zijn fondsen die op basis van wiskundige modellen worden samengesteld. Emoties worden dus uitgeschakeld.
Beheerders die zelf in hun eigen fonds beleggen, hebben een grotere toewijding dan beheerders die dat niet doen. Helaas is er geen Europese verplichting voor beheerders om daarover te rapporteren. Meestal zijn beleggers er dus niet van op de hoogte. Van de 14 awardwinnende fondsen zijn er liefst negen waarvan de beheerders in hun eigen fonds beleggen, blijkt uit een rondvraag. Bij Mercier Van Lanschot, de winnaar in de categorie gemengde fondsen, is die ‘skin in the game’ zelfs cruciaal. ‘We hechten veel belang aan onze ‘investing together’-filosofie. Door samen met onze klanten te investeren, beheer je een fonds anders’, zegt beheerder Eun Ah Schittekat.
Een andere vorm van toewijding kan ook het gevolg zijn van de kostenstructuur. Sommige fondsen hanteren prestatiekosten, die pas aangerekend mogen worden als het fonds een vooraf vastgelegde prestatie realiseert. Die prestatiekosten brengen het belang van de beheerder en de belegger op één lijn: beiden hebben baat bij een hoge return.
Maar let op: kijk zeker na of het algemene kostenniveau daardoor niet te hoog oploopt. Als het fonds al hoge jaarlijkse kosten aanrekent en daarbovenop nog eens een stevige prestatievergoeding, dan loopt de factuur te fel op. De prestatievergoeding is dan eerder een bonus voor de beheerder dan een faire manier om de belegger kosten aan te rekenen.
Vaak wordt het succes van een fonds toegeschreven aan één zogenaamde sterbeheerder. Maar een blind vertrouwen in die persoon is geen goed idee. De geschiedenis leert dat ook zij van hun voetstuk kunnen vallen.
Ze worden immers met veel druk geconfronteerd. Om hun prestatie vol te houden, zoeken ze dan soms meer risico op. Zo veranderde de Britse sterbeheerder Neil Woodford het geweer van schouder door meer te beleggen in kleinere, niet-beursgenoteerde ondernemingen. Die geven uitzicht op hogere rendementen, maar zijn weinig liquide. Toen beleggers na tegenvallende resultaten uit het fonds wilden stappen, bleek dat Woodford hen niet kon terugbetalen, omdat hij die illiquide beleggingen niet snel genoeg verkocht kreeg.
Soms leidt de sterrenstatus tot overmoed. De beheerders storten zich dan in een nieuwe markt, omdat ze overtuigd zijn dat ze ook daar succes zullen boeken. Het overkwam Anthony Bolton, die als tegendraadse waardebelegger een indrukwekkende status had opgebouwd met een Brits aandelenfonds bij Fidelity. In 2007 ging Bolton met pensioen, maar in 2010 keerde hij terug om het Chinese groeiverhaal te bespelen met een Chinees aandelenfonds. Bolton had China voor het eerst bezocht in 2003, sprak de taal niet en had geen plannen om ze te leren. Zijn Chinese verhaal liep zonder succes ten einde in 2015.
Overmoed werd ook Bill Miller, een succesvolle Amerikaanse fondsbeheerder, fataal. Zijn Legg Mason Capital Management Value Trust-fonds versloeg de S&P500-index elk jaar van 1990 tot 2005. Miller was een waardebelegger die zwaar durfde in te zetten op ondergewaardeerde bedrijven met sterke bedrijfsmodellen. Maar in de jaren voor de financiële crisis van 2007-2008 gokte hij ten onrechte dat de woningbouw en de financiële sector, die toen al onder druk stonden, niet verder zouden dalen. Het werd hem fataal. In 2008 verloor zijn fonds 55 procent.
Nog een gevaar doemt op als het fonds van de beheerder te groot wordt, waardoor hij zijn strategie niet meer op dezelfde manier kan hanteren. Bill Gross was jaren de grootste obligatiebeheerder ter wereld. Zijn Total Return Fund presteerde consequent beter dan zijn rivalen. Maar in 2011 viel hij van zijn troon door slechte prestaties. Gross zei dat zijn fonds het slachtoffer was geworden van zijn omvang. Uiteindelijk verliet hij Pimco en kwam hij bij Janus terecht, waar hij geen potten meer brak.
Succes uit het verleden biedt dus geen enkele zekerheid voor de toekomst. Ook met awardwinnende fondsen hebt u geen sluitende garantie op toekomstig succes. Maar wie vertrekt van een fonds met een consequente beleggingsfilosofie en een mooi trackrecord, vergroot wel zijn kansen. Al is het belangrijk niet achterover te leunen, maar het fonds minstens jaarlijks op te volgen.
Als er voor een tegenvallend jaar een goede verklaring is, dan hoeft u nog niet meteen actie te ondernemen. Maar als een fonds begint af te wijken van zijn beleggingsfilosofie, meer risico begint te nemen of zonder reden hogere kosten begint aan te rekenen, dan is het tijd om in te grijpen. Beleggen in actieve fondsen vraagt dus ook van de fondsenbelegger wat actief beheer. Wie dat niet wil opbrengen, kiest beter voor een ETF.
Referenties